Betrekkelijke bijzinnen
Betrekkelijke bijzinnen geven extra informatie over een zelfstandig naamwoord.
Kijk goed
- Der Mann, der dort steht, ist mein Lehrer.De man die daar staat, is mijn leraar.
- Die Frau, die ich kenne, ist Ärztin.De vrouw die ik ken, is arts.
- Das Buch, das ich lese, ist spannend.Het boek dat ik lees, is spannend.
- Der Film, den wir gesehen haben, war gut.De film die we gezien hebben, was goed.
De regel
Betrekkelijke bijzinnen geven extra informatie over een zelfstandig naamwoord. Ze beginnen met een betrekkelijk voornaamwoord, dat in geslacht en getal overeenkomt met het woord waarnaar het verwijst, maar zijn naamval ontleent aan zijn functie in de bijzin. Het werkwoord staat aan het einde van de bijzin. Betrekkelijk voornaamwoord nominatief: der, die, das, die (meervoud). Betrekkelijk voornaamwoord accusatief: den, die, das, die (meervoud). Betrekkelijk voornaamwoord datief: dem, der, dem, denen (meervoud). Geslacht en getal komen van het woord waarnaar verwezen wordt, de naamval van de functie in de bijzin. Het werkwoord staat aan het einde van de bijzin. Voor en na de bijzin staat een komma.
De vormen
| Nominativ | Akkusativ | Dativ | |
|---|---|---|---|
| maskulin | der | den | dem |
| feminin | die | die | der |
| neutral | das | das | dem |
| Plural | die | die | denen |
Korte test
- Der Hund, ___ im Garten spielt, gehört mir.Vul het juiste betrekkelijk voornaamwoord in.
Antwoord
der — Hund = mannelijk, nominatief (onderwerp in de bijzin) - Die Stadt, in ___ ich wohne, ist klein.Kies het juiste betrekkelijk voornaamwoord.
- der
- die
- dem
- den
Antwoord
der — Stadt = vrouwelijk, datief na 'in' (plaats) - Das Auto, ___ er gekauft hat, ist rot.Vul het juiste betrekkelijk voornaamwoord in.
Antwoord
das — Auto = onzijdig, accusatief (lijdend voorwerp) - Die Kinder, den im Park spielen, sind laut.Verbeter de fout.
Antwoord
Die Kinder, die im Park spielen, sind laut. — Kinder = meervoud, nominatief → die - Der Lehrer, ___ ich gefragt habe, war nett.Kies het juiste betrekkelijk voornaamwoord.
- der
- den
- dem
- dessen
Antwoord
den — Lehrer = mannelijk, accusatief (lijdend voorwerp) - Die Freunde, mit ___ ich reise, sind lustig.Vul het juiste betrekkelijk voornaamwoord in.
Antwoord
denen — Meervoud, datief na 'mit' → denen
Dezelfde oefeningen komen terug in de cursus — daar onthoudt Langula wat je kent en vraagt het op het juiste moment opnieuw. Gratis Duits leren →
Zinsbouw
Duits leren, niet alleen erover lezen
De zinnen op deze pagina horen bij de gratis cursus — met uitspraak en herhaling.
Gratis beginnen