Kijk goed
- Guten Morgen, wie geht es Ihnen?Goedemorgen, hoe gaat het met je?
- Wo ist der nächste Bahnhof?Waar is het dichtstbijzijnde treinstation?
- Kann ich mit Kreditkarte bezahlen?Kan ik betalen met creditcard?
De regel
Vraag je naar bepaalde informatie, begin dan met een vraagwoord zoals wo, wann of wie. Daarna komt het vervoegde werkwoord: Wo ist der nächste Bahnhof? Kan het antwoord ja of nee zijn, begin dan met het werkwoord: Kann ich mit Kreditkarte bezahlen? De persoon volgt op het werkwoord. In beide soorten vragen past de werkwoordsvorm bij de persoon. Vergeet het vraagteken niet.
Onthoud: Vraagwoord + werkwoord, of werkwoord + persoon.
Hoort bij les 1, 5, 6 van de cursus.
Wat voor jou anders is
Ook in het Nederlands vraag je met een vraagwoord naar plaats of manier en zet je bij een ja-neevraag vaak het werkwoord voorop. De volgorde van „Kann ich mit Kreditkarte bezahlen?” is daarom herkenbaar. De nieuwe keuze zit vooral in de Duitse vraagwoorden en werkwoordsvormen: „wo” vraagt naar een plaats, „wie” naar de manier, en bij ich past kann.
De vormen
| Fragewort | fragt nach | Beispiel |
|---|---|---|
| wer | Person | Wer ist das? |
| was | Sache | Was machst du? |
| wo | Ort | Wo wohnst du? |
| woher | Herkunft | Woher kommst du? |
| wohin | Richtung | Wohin fährst du? |
| wann | Zeit | Wann kommst du? |
| wie | Art und Weise | Wie geht es dir? |
| warum | Grund | Warum lernst du Deutsch? |
| — (Ja/Nein) | Verb zuerst | Kommst du mit? |
Veelgemaakte fouten
- *Wo der Bahnhof ist? → Wo ist der nächste Bahnhof?
- *Ich kann bezahlen? → Kann ich mit Kreditkarte bezahlen?
Korte test
- Welke vorm past? ___ ist der nächste Bahnhof?
- Wo
- Was
- Wann
Antwoord
Wo — Voor de plaats van „Bahnhof” vraag je met „Wo”. - Welke vorm past? Guten Morgen, ___ geht es Ihnen?
- wo
- wie
- wann
Antwoord
wie — Naar iemands welzijn vraag je met „wie” geht es Ihnen. - Welke vorm past? ___ ich mit Kreditkarte bezahlen?
- Können
- Kannst
- Kann
Antwoord
Kann — In deze ja-neevraag met ich staat „Kann” vooraan. - Welke vorm past? ___ ist die nächste Apotheke?
- Wo
- Wann
- Was
Antwoord
Wo — Voor de plaats van „Apotheke” vraag je met „Wo”. - Welke vorm past? ___ es einen Rabatt?
- Gibst
- Gibt
- Geben
Antwoord
Gibt — In de vraag naar korting staat „Gibt” vóór es.
Dezelfde oefeningen komen terug in de cursus — daar onthoudt Langula wat je kent en vraagt het op het juiste moment opnieuw. Gratis Duits leren →
Begrippen
- Vraagzin
- Een zin die gebruikt werd om informatie te vragen: Is het regenen?
- Vraagwoordvraag
- Een vraag die begint met een vraagwoord: Waar woont u?
- Ja-neevraag
- Een vraag die je met ja of nee kunt beantwoorden: Komt u?
- Woordvolgorde
- vandaag kom ik.
Zinsbouw
Duits leren, niet alleen erover lezen
De zinnen op deze pagina horen bij de gratis cursus — met uitspraak en herhaling.
Gratis beginnen