In, auf, unter: waarheen?

Waarom „in die Schule”, maar „in einem Büro”?

Kijk goed

De regel

Sommige plaatswoorden, zoals in, auf en unter, kunnen een richting of een vaste plaats aangeven. Bij een beweging naar een doel staat daarna meestal de Accusatief: Mein Sohn geht in die Schule. Bij een vaste plaats staat de Datief: Ich arbeite in einem Büro. Vraag dus eerst „waarheen?” of „waar?” en kies dan de passende vorm na het voorzetsel.

Onthoud: Waarheen? Accusatief. Waar? Datief.

Hoort bij les 9, 17, 25 van de cursus.

Wat voor jou anders is

In het Nederlands kan „in” zowel bij een richting als bij een plaats voorkomen; het lidwoord verandert daarbij nauwelijks. Het Duits gebruikt ook in voor beide betekenissen, maar de naamval erna wisselt. „In die Schule” beantwoordt „waarheen?”, terwijl „in einem Büro” de vraag „waar?” beantwoordt. Kijk dus naar de hele handeling.

De vormen

Waar? of waarheen?
PräpositionWo? → DativWohin? → Akkusativ
inIch bin im Park.Ich gehe in den Park.
aufDas Buch liegt auf dem Tisch.Ich lege das Buch auf den Tisch.
anDas Bild hängt an der Wand.Ich hänge das Bild an die Wand.
unterDie Katze schläft unter dem Bett.Die Katze läuft unter das Bett.
nebenEr sitzt neben mir.Er setzt sich neben mich.

Veelgemaakte fouten

Korte test

  1. Ich hänge das Bild an ___ Wand. (Waarheen?)
    Kies het juiste lidwoord.
    1. der
    2. die
    3. dem
    4. den
    Antwoord
    die — Richting → accusatief, Wand = vrouwelijk
  2. Das Bild hängt an ___ Wand. (Waar?)
    Kies het juiste lidwoord.
    1. der
    2. die
    3. dem
    4. den
    Antwoord
    der — Plaats → datief, Wand = vrouwelijk → der
  3. Die Katze springt auf ___ Sofa. (Waarheen?, onzijdig)
    Vul de juiste vorm in.
    Antwoord
    das — Richting → accusatief, onzijdig: das
  4. Die Katze sitzt auf ___ Sofa. (Waar?, onzijdig)
    Vul de juiste vorm in.
    Antwoord
    dem — Plaats → datief, onzijdig: dem
  5. Er geht in dem Park. (richting)
    Verbeter de fout.
    Antwoord
    Er geht in den Park. — Richting = Waarheen? → accusatief
  6. Sie legt das Buch ___ den Tisch.
    Waar? of Waarheen?
    1. auf
    2. an
    3. in
    4. unter
    Antwoord
    auf — legen = richting → auf + accusatief

Dezelfde oefeningen komen terug in de cursus — daar onthoudt Langula wat je kent en vraagt het op het juiste moment opnieuw. Gratis Duits leren →

Begrippen

Voorzetsel
een woord dat plaats, tijd of een relatie toont: op de tafel.
Accusatief
Een vorm voor wie of wat de handeling direct raakt: ik zie de hond.
Datief
De vorm voor iemand die iets ontvangt of hulp krijgt: ik geef hem een boek.

Zinsbouw

Duits leren, niet alleen erover lezen

De zinnen op deze pagina horen bij de gratis cursus — met uitspraak en herhaling.

Gratis beginnen