War en hatte in het verleden

Wat drukt war uit in „Gestern war ein schöner Tag”?

Kijk goed

De regel

Bij sein en haben hoor je in verhalen vaak war en hatte. Die verleden vormen bestaan uit één woord: Gestern war ein schöner Tag. Ze veranderen met de persoon: ich war, du warst; ich hatte, du hattest. Bij de meeste andere werkwoorden gebruikt gesproken Duits vaker het Perfekt dat je al kent. Zet dus niet automatisch elk werkwoord in deze eenvoudige verleden vorm.

Onthoud: Sein wordt war, haben wordt hatte; verder vaak het Perfekt.

Hoort bij les 2, 31, 39 van de cursus.

Wat voor jou anders is

Het Nederlands heeft het vergelijkbare paar „was” en „had”. Daardoor herken je meteen waarom war en hatte naar het verleden verwijzen. In het Duits moet je wel de persoonsuitgang goed kiezen: „du warst” en „du hattest” verschillen van „ich war” en „ich hatte”. Bij andere werkwoorden hoor je in gesprekken vaak het Perfekt.

De vormen

Vormen van war en hatte
Personseinhaben
ichwarhatte
duwarsthattest
er/sie/eswarhatte
wirwarenhatten
ihrwarthattet
sie/Siewarenhatten

Veelgemaakte fouten

Korte test

  1. Welke vorm past? Gestern ___ ein schöner Tag.
    1. war
    2. ist
    3. hatte
    Antwoord
    war — „war” is de verleden vorm van sein bij een enkelvoudige dag.
  2. Welke vorm past? Das Publikum ___ begeistert.
    1. waren
    2. war
    3. hatte
    Antwoord
    war — Das Publikum is enkelvoud: „war” past, waren niet.
  3. Welke vorm past? Früher ___ alles anders.
    1. hatte
    2. ist
    3. war
    Antwoord
    war — Früher plaatst de situatie in het verleden: „war”.
  4. Welke vorm past? ich + haben → ___
    1. hatte
    2. hattest
    3. war
    Antwoord
    hatte — Bij ich hoort „hatte” als verleden vorm van haben.
  5. Welke vorm past? du + sein → ___
    1. waren
    2. warst
    3. war
    Antwoord
    warst — Bij du krijgt sein de uitgang -st: „warst”.

Dezelfde oefeningen komen terug in de cursus — daar onthoudt Langula wat je kent en vraagt het op het juiste moment opnieuw. Gratis Duits leren →

Begrippen

Onvoltooid verleden tijd
Een vorm voor wat vroeger gebeurde: ik speelde.
Werkwoord
Een woord voor een actie of gebeurtenis: gaan, slapen, zijn.
Werkwoordstijd
De werkwoordsvorm laat zien wanneer iets gebeurt: ik speel, ik speelde.

Tijden

Duits leren, niet alleen erover lezen

De zinnen op deze pagina horen bij de gratis cursus — met uitspraak en herhaling.

Gratis beginnen