Kijk goed
- Ich kann Deutsch sprechen.Ik kan Duits spreken.
- Du musst jetzt gehen.Jij moet nu gaan.
- Hier darf man nicht rauchen.Hier mag je niet roken.
- Ich möchte einen Kaffee bestellen.Ik zou graag een koffie bestellen.
De regel
Können drukt een vaardigheid of mogelijkheid uit, müssen een plicht en wollen een wens of plan. Het modale werkwoord verandert met de persoon: ich kann, du kannst, er kann. Een tweede werkwoord blijft in de basisvorm en staat meestal achteraan: Das Projekt muss fertig sein. Möchten drukt een wens op een beleefde manier uit. Let bij het lezen op beide werkwoorden.
Onthoud: Het eerste werkwoord staat vooraan; het tweede blijft in de basisvorm achteraan.
Hoort bij les 5, 9, 12 van de cursus.
Wat voor jou anders is
Het Nederlands kent kunnen, moeten en willen, en zet een tweede werkwoord vaak achteraan. Het basispatroon van „wir müssen die Umwelt schützen” is daarom vertrouwd. Wat je wel apart moet leren, zijn de Duitse persoonsvormen: kann, kannst, muss en müssen. Kijk naar het onderwerp voor die eerste vorm, terwijl het tweede werkwoord in de basisvorm blijft.
De vormen
| Person | können | müssen | wollen |
|---|---|---|---|
| ich | kann | muss | will |
| du | kannst | musst | willst |
| er/sie/es | kann | muss | will |
| wir | können | müssen | wollen |
| ihr | könnt | müsst | wollt |
| sie/Sie | können | müssen | wollen |
Veelgemaakte fouten
- *Ich können helfen. → Ich kann helfen.
- *Das Projekt muss ist fertig. → Das Projekt muss fertig sein.
Korte test
- Hier ___ man nicht rauchen. (verbod)Kies het juiste modale werkwoord.
- kann
- darf
- muss
- will
Antwoord
darf — Verbod = nicht dürfen - Ich ___ gut Klavier spielen. (vaardigheid)Vul het juiste modale werkwoord in.
Antwoord
kann — Vaardigheid = können - müssen (jij)Vervoeg het modale werkwoord.
Antwoord
musst — du + müssen = musst - gehen / wir / ins Kino / wollenZet de woorden in de juiste volgorde.
Antwoord
Wir wollen ins Kino gehen. — Modaal werkwoord op positie 2, infinitief aan het einde - Er will nach Berlin fahren kann.Verbeter de fout.
Antwoord
Er will nach Berlin fahren. — Maar één modaal werkwoord per zin in de tegenwoordige tijd - ___ ich bitte ein Glas Wasser haben? (beleefd)Kies het juiste modale werkwoord.
- Muss
- Will
- Könnte
- Soll
Antwoord
Könnte — Beleefd verzoek = könnte - Die Kinder ___ ihre Hausaufgaben machen. (verplichting)Vul de juiste vorm in.
Antwoord
müssen — Verplichting = müssen, 3e persoon meervoud
Dezelfde oefeningen komen terug in de cursus — daar onthoudt Langula wat je kent en vraagt het op het juiste moment opnieuw. Gratis Duits leren →
Begrippen
- Modaal werkwoord
- Een werkwoord toont mogelijkheid of noodzaak: ik kan komen.
- Infinitief
- De basisvorm van een verb voordat het verandert voor een persoon: om te gaan.
- Woordvolgorde
- vandaag kom ik.
Werkwoorden
Duits leren, niet alleen erover lezen
De zinnen op deze pagina horen bij de gratis cursus — met uitspraak en herhaling.
Gratis beginnen