Kijk goed
- Hallo, mein Name ist Thomas.Hallo, mijn naam is Thomas.
- Ich habe zwei Brüder und eine Schwester.Ik heb twee broers en een zus.
- Ich bin müde und möchte schlafen.Ik ben moe en wil graag slapen.
De regel
Sein vertelt wie iemand is, hoe iemand zich voelt of waar iets is: Ich bin müde. Haben vertelt wat iemand heeft of meemaakt: Ich habe großen Hunger. Beide werkwoorden komen vaak voor en veranderen sterk van vorm. De gewone uitgangen zijn hier niet genoeg. Leer de reeksen als geheel: ich bin, du bist, er ist; ich habe, du hast, er hat.
Onthoud: ich bin, du bist; ich habe, du hast.
Hoort bij les 1, 3, 12 van de cursus.
Wat voor jou anders is
Het Nederlands heeft zijn en hebben, dus de betekenis van sein en haben is vertrouwd. Ook de werkwoorden zijn onregelmatig, maar de Duitse vormen zijn eigen: „ich bin” naast „mein Name ist”, en „ich habe” naast „mein Onkel hat”. Kies eerst of het om een toestand of bezit gaat en kijk daarna naar het onderwerp van de Duitse zin.
De vormen
| Person | sein | haben |
|---|---|---|
| ich | bin | habe |
| du | bist | hast |
| er/sie/es | ist | hat |
| wir | sind | haben |
| ihr | seid | habt |
| sie/Sie | sind | haben |
Veelgemaakte fouten
- *ich bist → ich bin.
- *du habst → du hast.
Korte test
- Welke vorm past? Hallo, mein Name ___ Thomas.
- ist
- bin
- bist
Antwoord
ist — „Name” is hier enkelvoud; van sein past daarom „ist”. - Welke vorm past? Ich ___ zwei Brüder und eine Schwester.
- hast
- habe
- hat
Antwoord
habe — Als ich „Brüder” heeft, krijgt haben de vorm „habe”. - Welke vorm past? Ich ___ müde und möchte schlafen.
- bist
- ist
- bin
Antwoord
bin — Bij ich en de toestand „müde” wordt sein „bin”. - Welke vorm past? Mein Onkel ___ drei Kinder.
- hat
- hast
- habe
Antwoord
hat — „Onkel” is enkelvoud; de passende vorm van haben is „hat”. - Welke vorm past? Das Jahr ___ zwölf Monate.
- hast
- hat
- habe
Antwoord
hat — „Jahr” is enkelvoud; de passende vorm van haben is „hat”.
Dezelfde oefeningen komen terug in de cursus — daar onthoudt Langula wat je kent en vraagt het op het juiste moment opnieuw. Gratis Duits leren →
Begrippen
- Werkwoord
- Een woord voor een actie of gebeurtenis: gaan, slapen, zijn.
- Tegenwoordige tijd
- een verbform voor wat nu of regelmatig gebeurt: ik leer.
- Onregelmatig werkwoord
- Een werkwoord waarvan de vormen afwijken van de gewone regel: gaan → ging.
Werkwoorden
Duits leren, niet alleen erover lezen
De zinnen op deze pagina horen bij de gratis cursus — met uitspraak en herhaling.
Gratis beginnen