Werkwoord met voorzetsel

Welke woordjes volgen op freuen, ärgern en hoffen?

Kijk goed

De regel

Sommige Duitse werkwoorden leer je samen met het vaste voorzetsel erachter. In de cursus staan sich freuen auf, sich ärgern über en hoffen auf. Je kunt deze woorden niet willekeurig verwisselen; een ander voorzetsel kan de betekenis veranderen. Leer daarom de hele verbinding met een cursusvoorbeeld, zoals Ich freue mich auf das Wochenende. Controleer ook of het volgende zelfstandig naamwoord van vorm verandert.

Onthoud: Leer werkwoord en voorzetsel samen: sich freuen auf.

Hoort bij les 16, 21, 34 van de cursus.

Wat voor jou anders is

Het Nederlands heeft ook vaste combinaties, zoals „wachten op” en „zich ergeren aan”. Daardoor is het idee herkenbaar, maar de gekozen voorzetsels komen niet altijd overeen. Het Duits zegt bijvoorbeeld „sich ärgern über”. Bij „sich freuen auf” gaat het om iets waarnaar je uitkijkt. Leer de Duitse combinatie samen met de betekenis.

De vormen

Werkwoorden met voorzetsel
VerbPräposition + FallBeispiel
wartenauf + AkkusativIch warte auf den Bus.
denkenan + AkkusativIch denke an dich.
sich freuenauf + AkkusativIch freue mich auf das Wochenende.
sich interessierenfür + AkkusativSie interessiert sich für Musik.
teilnehmenan + DativEr nimmt an dem Kurs teil.
Angst habenvor + DativIch habe Angst vor Hunden.

Veelgemaakte fouten

Korte test

  1. Welke vorm past? Ich freue mich ___ das Wochenende.
    1. auf
    2. über
    3. für
    Antwoord
    auf — Het komende weekend hoort bij sich freuen „auf”.
  2. Welke vorm past? Er ärgert sich ___ den Stau.
    1. auf
    2. über
    3. an
    Antwoord
    über — De oorzaak van ergernis hoort bij sich ärgern „über”.
  3. Welke vorm past? Wir hoffen ___ gutes Wetter.
    1. für
    2. über
    3. auf
    Antwoord
    auf — Op goed weer hopen is in het Duits hoffen „auf”.
  4. Welke vorm past? Wir sollten ___ das Problem sprechen.
    1. über
    2. mit
    3. auf
    Antwoord
    über — Het gespreksonderwerp hoort bij sprechen „über”.
  5. Welke vorm past? Ich entschuldige mich ___ mein Verhalten.
    1. über
    2. für
    3. auf
    Antwoord
    für — De reden voor excuses hoort bij sich entschuldigen „für”.

Dezelfde oefeningen komen terug in de cursus — daar onthoudt Langula wat je kent en vraagt het op het juiste moment opnieuw. Gratis Duits leren →

Begrippen

Werkwoord
Een woord voor een actie of gebeurtenis: gaan, slapen, zijn.
Voorzetsel
een woord dat plaats, tijd of een relatie toont: op de tafel.
Accusatief
Een vorm voor wie of wat de handeling direct raakt: ik zie de hond.

Werkwoorden

Duits leren, niet alleen erover lezen

De zinnen op deze pagina horen bij de gratis cursus — met uitspraak en herhaling.

Gratis beginnen